Category

Blogs

Stel je voor, corona in 2000 in plaats van 2020…

Met alle ellende die we nu doormaken door het coronavirus, denk ik dat het in ieder geval scheelt dat we dit nu, anno 2020 moeten doormaken en niet bijvoorbeeld 20 jaar (of langer!)  geleden. Na de oproep van premier Mark Rutte op 12 maart om zo veel mogelijk thuis te werken en het sluiten van de scholen kort daarna, werkt in Nederland 60 procent van de beroepsbevolking thuis. We zijn massaal overgestapt op videovergaderen, VPN en andere technologieën waarmee we in principe thuis kunnen werken alsof we op kantoor zijn. We Microsoft Teams-en, Cisco WebEx-en, Zoom-en, Slack-en, en Skype-en er met zijn allen op los. De toename in het gebruik van al deze tools was de eerste paar dagen zo groot, dat de aanbieders snel hun capaciteit moesten opschalen. De sterke toename in het dataverkeer was voor Netflix zelfs aanleiding om de kwaliteit van de videostreams – waar alle thuisblijvers ook veel en veel meer gebruik van gingen maken – voorlopig terug te schroeven, zodat er minder bandbreedtecapaciteit in beslag wordt genomen.

3D-geprint zuurstofmasker.

Een 3D-geprint zuurstofmasker, van het Belgische bedrijf Materialise.

Dus hoe lastig het soms ook is om met het hele gezin thuis te werken en te leren, we hebben in ieder geval de tools tot onze beschikking waarmee we een deel van ons leven en onze economie draaiend kunnen houden. Kinderen en studenten kunnen via online lesprogramma’s en videolessen en -verbindingen toch aan de slag. Mensen die in volledige thuisisolatie zitten omdat ze besmet zijn met het virus, kunnen via Facetime en Skype toch hun familie en kennissen zien en spreken. Artsen en medisch specialisten in de ziekenhuizen kunnen dankzij technologie met elkaar vergaderen, overleggen met patiënten en collega’s en onderzoeksinspanningen afstemmen. En 3D-printing wordt door slimme ingenieurs ingezet om onderdelen te printen voor die levensreddende beademingsapparaten.

Stel je nu toch eens voor dat deze virusuitbraak niet nu, maar in 2000 (of eerder) had plaatsgevonden. Dan zouden we het een heel stuk moeilijker hebben nu. Sociale mediaplatforms, videovergaderen, samenwerkingstools en andere technologieën die we nu als onmisbaar zien, bestonden nog niet. Er was weliswaar al een redelijk goed werkende chatapplicatie genaamd ICQ (gelanceerd in 1996), maar er waren nog maar weinig mensen die dat kenden, laat staan gebruikten. Op onze PC’s draaiden we nog vooral Windows 95/98 (Windows XP kwam pas in 2001 op de markt). WiFi was bestond weliswaar al, maar werd nog nauwelijks thuis gebruikt. De eerste versie van Skype verscheen pas in 2003. Vrijwel alle diensten en apps die we nu constant gebruiken, moesten nog worden uitgevonden. Geen Twitter, geen Facebook en niet te vergeten: geen WhatsApp, Instagram, Telegram, Snapchat! SMS-en was dé manier om in contact te blijven met anderen en dat was best een dure grap. Dus als we toen, in 2000, met een situatie als de huidige corona-uitbraak te maken hadden gehad, was het echt een stuk moeilijker voor ons geweest. Ik ben ervan overtuigd zeker dat we met zijn allen toch wel op de een of andere manier onze weg hadden gevonden, maar zeker niet zoals we dat nu kunnen.

ICQ - Een van de eerste chat apps.

ICQ, gelanceerd in 1996: een van de voorlopers van Skype, WhatsApp en andere chat apps.

Ook als we kijken naar de zoektocht naar een vaccin voor het virus en de behandeling van patiënten mogen we heel blij zijn dat we niet twintig jaar geleden leven. Grootschalige data-analyse en AI spelen nu een cruciale rol bij de inspanningen om de kenmerken van het virus te ontleden en een vaccin te ontwikkelen. Als we verdachte symptomen hebben, kunnen we die checken in een smartphone app. Als er indicaties zijn dat we inderdaad het virus hebben, nemen artsen contact op voor verdere stappen. Enerzijds ontlasten we hiermee de artsen, anderzijds kan dit ook onnodige zorgen wegnemen. Artsen, onderzoekers en beleidsmakers uit de hele wereld kunnen dankzij technologie hun inzichten en ervaringen over de verspreiding van het virus delen, om betere maatregelen te kunnen nemen.

We bevinden ons in een ontzettend moeilijke situatie, een die we nog nooit hebben meegemaakt. Talloze gezinnen treuren om het verlies van familieleden en niemand weet hoeveel mensen nog zullen overlijden en lang dit nog gaat duren. De impact op de economie zal enorm zijn. Maar laten we in ieder geval dankbaar zijn dat we toegang hebben tot technologie die ons helpt om er zo goed mogelijk doorheen te komen en er het beste van te maken. Om nog maar te zwijgen van het aantal besmettingen en dodelijke slachtoffers dat we voorkomen doordat we op deze manier thuis kunnen doorwerken.

#staysafe en #houdtafstand.

Rudy Horn, Senior Country Manager NL United Airlines: ‘Als kind runde ik al mijn eigen airline op papier’

Rudy Horn is Senior Country Manager Netherlands voor United AirlinesRudy Horn, Rudy Horn is Senior Country Manager Netherlands voor United Airlines. Horn werkt al 27 jaar bij United en heeft daar veel verschillende salesfuncties vervuld. Luchtvaart was al van kinds af aan dé grote passie van Horn. Maar waar de meeste kinderen dromen over piloot worden en vliegen, lagen zijn interesses net iets anders. “Ik was als kind best wel bezeten van de luchtvaart. Ik woonde in Westzaan en fietste zonder er over na te denken 2 uur naar Schiphol en weer terug, alleen maar om te kijken naar hoe de vliegtuigen vertrokken en landen, hoe alles daar werkte. Mateloos fascinerend. Ik heb toen mijn ‘eigen’ luchtvaartmaatschappij op papier helemaal opgezet met routes, transferlocaties en alles wat er verder – voor zover ik op dat moment wist – kwam kijken bij het runnen van een airline. Grappig is dat jaren later, toen ik eenmaal in dienst was bij United, bleek dat onze Executive Vice President en Chief Commercial Officer Andrew Nocella bij United,  precies hetzelfde deed als kind. Dus blijkbaar zit dat organiseren en regelen er dan toch al vroeg in”.

Via Northwest en TWA naar United Airlines

Het was dan ook vanzelfsprekend dat Horn na school en militaire dienst een baan zocht in de luchtvaart. “Ik heb toen gesolliciteerd bij South African Airlines en bij Northwest Orient Airlines. En tot mijn verrassing wilden beide maatschappijen mij wel aannemen. Ik heb toen toch gekozen voor Northwest, als groot Amerikaans bedrijf, omdat ik daar voor de toekomst meer mogelijkheden zag. Daarnaast lag de situatie in Zuid Afrika met het toenmalige apartheidsregime in die tijd – eind jaren 80 – nog erg gevoelig”.

Na twee jaar Northwest stapte Horn over naar een andere Amerikaanse luchtvaartreus: TWA (Trans World Airlines), waar hij eerst reserveringen afhandelde, vervolgens baliemedewerker werd en doorgroeide naar Hoofd Groepen. Uiteindelijk eindigde hij zijn loopbaan bij TWA als Supervisor Inside Sales. “Na zeven jaar begon het wel duidelijk te worden dat het met TWA de verkeerde kant op ging, door de vele schulden. Ik zag als het ware dat het schip begon te zinken en daar wilde ik natuurlijk niet op wachten. Ik heb toen gesolliciteerd bij United Airlines, waar ik in 1993 begon met het verkopen van tickets voor de populaire route Amsterdam – Washington DC”. In 1996 werd Horn Business and Leisure Sales Manager voor Nederland, een functie die in 2003 werd uitgebreid naar de Benelux. Daarna groeide hij door naar Regional Sales Manager Benelux en Senior Manager Sales Strategy EMEAI (Europe, Middle East, Africa, India). In 2014 begon hij aan zijn huidige functie als Senior Country Manager Nederland voor United.

Enorme veranderingen

Met een dusdanig lange carrière in de luchtvaart heeft Horn veel veranderingen gezien en meegemaakt. “Net als in vrijwel alle andere sectoren heeft automatisering gezorgd voor enorme verbeteringen in onze processen en in de manier waarop de luchtvaartindustrie opereert. We realiseren het ons niet altijd, maar vliegen is echt enorm veel comfortabeler en makkelijker dan, zeg, 20 jaar geleden. Wanneer je bij ons met je account een ticket boekt, weet het systeem al van alles over je voorkeuren en houdt daar automatisch rekening mee bij het aanbieden van stoelen. Denk bijvoorbeeld aan wensen over beenruimte of over de stoellocatie. Dat lijkt misschien triviaal en voor veel mensen intussen vanzelfsprekend, want we zijn er aan gewend. Maar je moet je niet vergissen in wat daar aan de achterkant allemaal voor nodig is. Daarnaast zijn er tegenwoordig natuurlijk geweldige koppelingen tussen de systemen van verschillende partijen. Als je bijvoorbeeld een ticket koopt op CheapTicket of Vliegtickets, krijg je daar automatisch via een vaste bundeling allerlei opties te zien waar je voor kan kiezen. Ook daarbij moet je je realiseren dat iedere luchtvaartmaatschappij weer andere opties heeft, dus die integratie is echt wel vergevorderd intussen. Mooi om te zien”.

Passagiers beter informeren

Toch zijn er nog veel zaken die beter kunnen, meent Horn: “De communicatie van airlines naar klanten toe is nog steeds niet optimaal. Als een vlucht bijvoorbeeld onverhoopt vertraagd is, krijg je nu vaak alleen de melding van die vertraging. Maar je hoort bijna nooit wat de reden of de oorzaak is. Terwijl juist dat soort informatie bij passagiers kan zorgen voor meer begrip en minder frustratie. Als je communiceert dat een vlucht een uur later vertrekt omdat een belangrijk onderdeel gecheckt moet worden of omdat slechte weersomstandigheden ergens anders reden zijn voor uitstel van vertrek, dan voelen passagiers zich beter geïnformeerd. Ze worden serieus genomen als klant. En dat voelt een heel stuk beter dan alleen maar een mededeling dat je moet wachten, zonder enige toelichting. Maar je moet dan – als het even kan – ook een realistische verwachting afgeven voor de duur van de vertraging, zodat passagiers weten waar ze aan toe zijn”.

Duurzaamheid is key

Maar er zijn natuurlijk meer actuele ontwikkelingen die van groot belang zijn voor de luchtvaart. “Er is intussen heel veel aandacht voor het milieu, klimaatverandering en duurzaamheid. Klanten verwachten dat de sector daar stappen in neemt en dat doen we zeker. United was bijvoorbeeld de eerste luchtvaartmaatschappij in de VS die regelmatig biobrandstof is gaan gebruiken. Dat zorgt voor een flinke besparing in de uitstoot van broeikasgassen. We zijn in de VS ook de eerste airline die heeft aangekondigd om uiteindelijk volledig ‘carbon-free’ te willen opereren, bijvoorbeeld door elektrisch vliegen of door een overstap op waterstof. Zo ver is de technologie nu nog lang niet, maar we zijn daar wel actief mee bezig”.

De toekomst van de luchtvaart

Een andere luchtvaartontwikkeling die volgens Horn in de toekomst (weer) een rol gaat spelen, is supersonisch of zelfs ‘hypersonisch’ (vanaf 5x zo snel als het geluid) vliegen: “De interesse in supersonisch vliegen blijft. Hoewel de Concorde door allerlei ontwikkelingen, tegenslagen (denk aan het ongeluk bij Parijs) en de hoge kosten uiteindelijk is verdwenen uit het luchtruim, zie je dat vliegtuigfabrikanten er mee bezig blijven. Er gaan jaarlijks miljoenen naar onderzoek en naar het ontwikkelen van prototypes. En ik denk dat dat terecht is. Als we betaalbaar en efficiënt supersonisch kunnen gaan vliegen, gaat ons dat enorme tijdwinsten opleveren en wordt deze vorm van reizen ook interessant voor een grotere groep reizigers. En de volgende stap is dan hypersonisch, maar dat is echt nog verre toekomstmuziek, denk ik.”

Futurist Willie Appel: “We staan aan de vooravond van de ‘Man-Machine Mind Meld’”

Willie AppelWillie Appel is een bekend futurist, adviseur op het gebied van technologische ontwikkelingen, executive coach en een veel gevraagd spreker over AI en innovatie. Hij was onder andere Executive Partner bij Gartner en Senior Vice President EMEA – Executive Directions bij Metagroup. In 2016 richtte hij zijn eigen adviesbureau op: DigitalMindz: een platform dat organisaties helpt navigeren door de wirwar van technologische innovaties en ze ondersteunt bij digitale transformatietrajecten.

Waar komt uw interesse voor technologie en innovatie vandaan?

Dat is begonnen toen ik een jaar of 8, 9 was. Ik was toen helemaal gek van schaken en dan vooral van de strategische aspecten. Ik was gefascineerd door de eerste computerschaakkampioenschappen die in 1970 plaatsvonden in de VS en wilde aanvankelijk zelf een schaakprogramma schrijven. Maar toen las ik over studenten van het Amerikaanse MIT, die onderzoek deden naar algoritmen voor het genereren van programma’s die het spel Go konden spelen. Go heeft exponentieel meer mogelijke spelscenario’s dan schaken allemaal via een beslissingsboom geëvalueerd moeten worden om te beslissen over de beste volgende zet. Dat vraagt om een totaal andere aanpak en een enorm krachtige computer. Pas in 2016 slaagde een computer (‘AlphaGo’) erin om de toenmalige wereldkampioen Go te verslaan. Dat is hoe mijn belangstelling voor AI en parallelle processing is ontstaan.

Wat is volgens u de belangrijkste technologische ontwikkeling van dit moment?

Zonder twijfel is dat de ontwikkeling van AI. Daarbij lopen de meningen en verwachtingen wel sterk uiteen. De een roept dat het einde van de mensheid in zicht is als krachtige AI echt realiteit wordt, de ander ziet een veel beperktere rol voor deze technologie. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat we aan het begin staan van een belangrijke nieuwe stap, waarbij het niet gaat om de ‘strijd tussen mens en machine’, maar dat waarin het juist gaat om de manier waarop mens en machine elkaar aanvullen om zo tot de sterkst mogelijke combinatie te komen. Richard Bookstaber, professor economie aan MIT, heeft dit heel elegant beschreven in zijn boek ‘The End of Theory’, waarin hij stelt: “No man is better than a machine, and no machine is better than a man with a machine”.

Deze symbiose is gebaseerd op het besef dat zowel de mens als de machine tekortkomingen hebben. De mens is te sterk gedreven door emoties en is gevoelig voor denkfouten die kunnen leiden tot verkeerde interpretaties en foute conclusies. De machine ontbreekt het juist aan begrip, aan de mogelijkheid te bepalen wat bepaalde data nu eigenlijk betekenen.

Als die mens-machine combinatie eenmaal wordt gerealiseerd, zullen alledaagse, veelal saaie jobs vervangen worden door machines. Is dat een probleem? Nee, dat denk ik niet. Als we bijvoorbeeld kijken naar artsen, dan kan je stellen dat een menselijke arts beslissingen neemt en keuzes maakt op basis van misschien enkele honderden datapunten. Maar een expertmachine kan miljoenen datapunten wegen in zo’n beslissing. Dat betekent niet dat die expertmachine dan de menselijke arts vervangt. Want die machine kan alleen analyseren op basis van feiten, van data. De arts kent de patiënt op een andere manier, die weet van een bepaalde historie die van belang kan zijn bij het stellen van de juiste diagnose en het kiezen van de beste behandeling. Dus wordt een computer straks de beste arts? Nee, de beste arts is straks de arts die de computer de juiste vragen weet te stellen. Ik denk daarom de we niet meer zouden moeten praten over ‘Artificial Intelligence’, maar eerder over ‘Intelligent Assistance’ of ‘Intelligence Automation’: IA.

Maar wat gebeurt er dan met de mensen die nu dit soort taken vervullen?

We staan aan de vooravond van de zogenaamde ‘Man-Machine Mind Meld’, waarbij voorstanders van IA erop wijzen dat zelfs de beste computersystemen van dit moment niet veel meer doen dan het automatisch en snel uitvoeren van menselijke beslissingsprocessen. Het PageRank algoritme dat Larry Page van Google bijvoorbeeld bedacht om zoekresultaten te verbeteren, was gebaseerd op het vaststellen van welke webpagina’s het meest werden bezocht. In feite werd daarbij dus gebruikgemaakt van menselijke intelligentie en van menselijke beslissingen over welke waardevolle informatiebronnen waardevol zijn.

Als je kijkt naar de impact van voorgaande industriële revoluties, zie je dat daarbij dezelfde vragen werden gesteld en dat er zorgen waren over banen en werkgelegenheid. Wat bij iedere industriële revolutie gebeurde, was dat handmatige arbeid van de mens werd overgenomen door een machine. In plaats daarvan kreeg de mens telkens een meer intellectuele rol, waarbij de waarde van die intellectuele taken aanzienlijk hoger lag dan dat van de handmatige taken. Die transformatie zien we nu opnieuw. Zeker, er zullen bepaalde functies verdwijnen, maar daarvoor komen er weer andere in de plaats, die de kracht en de mogelijkheden van ons intellect veel beter benutten. De mens zal altijd nodig blijven, maar we zullen op een hogere intellectueel niveau gaan werken. Er zal dan ook ander, interessanter werk komen. Maar dat zal wel heel ander soort werk zijn dan we nu kennen. En dat betekent bijvoorbeeld dat we ook heel anders moeten gaan kijken naar educatie en opleiding. De banen waar veel jongeren nu voor opgeleid worden, zullen over een aantal jaren mogelijk niet meer bestaan. We moeten mensen daarom erin trainen dat ze hun intellectuele capaciteiten overal zo goed mogelijk kunnen inzetten, in plaats van ze te op te leiden voor een specifieke taak.

Kunnen we als mens wel omgaan met die veranderingen?

Waar we vooral mee om moeten zien te gaan, is het hogere tempo van deze veranderingen. De vorige industriële revoluties duurden tientallen jaren. Er was dus tijd om geleidelijk te wennen aan de veranderingen. Nu volgen de ontwikkelingen elkaar in een enorm tempo op. Wie had bijvoorbeeld tien jaar geleden kunnen voorzien hoe een AirBnB of een Uber hun markten totaal zouden gaan veranderen? En niet alleen de directe markten, maar alles dat daaruit volgt. Denk bijvoorbeeld aan de explosie van toerisme in Amsterdam en de gevolgen daarvan voor de stad?

Een boeiende ontwikkeling is de bekende Wet van Moore, uit 1965. Hij stelde daarin dat elke 12 maanden het aantal transistors dat op een chip aangebracht kan worden, verdubbelt. Later is die termijn aangepast naar elke 24 maanden. Zijn observatie (want een ‘Wet’ zoals de wet van de zwaartekracht, is het eigenlijk niet) bleef 50 jaar gelden. Maar nu hebben we een punt bereikt dat deze ontwikkeling niet langer exponentieel verloopt. Aan het begin van de jaren 90 was ik lid van een team dat toegang had tot een Cray Supercomputer. Destijds de krachtigste computers die er waren. We hoorden toen dat de architect van die systemen, Seymour Cray, bij ieder nieuw computerontwerp begon met een stuk blanco papier. Hij ontwierp ieder systeem dus helemaal vanaf scratch, ongehinderd door de fouten en de erfenis van eerdere systemen. Toen hij in 1996 overleed, leek zijn benadering vreemd en onpraktisch. De computerwereld volgende immers nauwgezet de Wet van Moore, met een gestage evolutie van Intel-processors, waarbij iedere generatie een verbeterde versie van de vorige was. Nu, 42 jaar nadat de eerste Cray supercomputer op de markt verscheen, staan we aan het begin van een heel nieuwe fase in het denken over computertechnologie. Die is te vergelijken met de Agile programmeermethode, in die zin dat er sneller en veel vaker dan nu nieuwe systemen worden ontwikkeld. En vooral: systemen niet alleen maar voortbouwen op een vorige versie. Het is echt een nieuw begin en we zouden een nieuwe Seymour Cray goed kunnen gebruiken.

Dit principe gaan we veel breder zien. Een totaal innovatief en disruptief idee dat vandaag wordt gelanceerd, kan al over een of twee jaar een grote impact hebben. En wie weet hebben we het straks wel over een revolutie binnen enkele dagen. Maar toch zal de mens zich daaraan weten aan te passen. Wij mensen hebben een enorme capaciteit om met dit soort veranderingen om te gaan, dus ik ben ervan overtuigd dat we dat aankunnen.

Bas Boorsma: “Dé ‘smart city’ bestaat niet!”

Bas BoorsmaAl jarenlang wordt er gesproken over ‘smart cities’ – steden die innovatieprogramma’s creëren waarin nieuwe netwerktechnologieën worden toegepast, lokale innovatie-ecosystemen worden gerealiseerd, innovatiedistricten ontstaan, waarin stappen worden gezet om energie efficiënter te gebruiken en waar slimmer wordt omgegaan met publieke data. Een slimme stad maakt ook effectiever gebruik van de beschikbare middelen, is minder vervuilend en is veiliger en gezonder. Bas Boorsma is vice president van het Cities Today Institute (www.cities-institute.com). Hij is tevens Professor of Practice, urban innovations and smart City, Thunderbird School of Global Management, Arizona State  University. Sinds kort is hij ook Chief Innovation Officer van het Amsterdamse bedrijf Change= (www.change-is.com). Hij is ook auteur van het boek ‘A New Digital Deal’ (www.anewdigitaldeal.com). Boorsma is al bijna 20 jaar expert op het gebied van de planning en ontwikkeling van smart cities en stedelijke innovatie.

Waar komt uw interesse voor smart cities vandaan?

“Dat is eigenlijk organisch ontstaan. Ik ben geboren in het jaar 29BG (‘Before Google’) en ben dus analoog groot gebracht. Digitale ontwikkelingen interesseerden me vanaf het begin. Ik raakte op zeker moment betrokken bij de eerste glasvezelinitiatieven in Nederland. In 2001 gaf het ministerie van Economische Zaken het startschot voor de ontwikkeling van de eerste ‘kenniswijk’ in Eindhoven. Dat was voor Nederland een nieuw project en men wilde voorkomen dat ze het wiel opnieuw moesten uitvinden. Daarom werd samenwerking gezocht met andere steden in de wereld, die voorop liepen met de uitrol van breebandnetwerken en breedbandige diensten. Om dat in goede banen te leiden is het Smart Community International Network (SCIN) opgericht (later omgedoopt in INEC) en in 2002 werd daadwerkelijk gestart met de uitwisseling van relevante kennis. Ik werd toen verantwoordelijk voor een aantal gerelateerde projecten, waaronder het Connecting the Dots-programma rond de uitrol van breedbandinfrastructuur in Nederland. Dat begon met glasvezel en later kwamen daar wireless verbindingen bij. Het eerste doel was om zo veel mogelijk huishoudens in Nederland te ontsluiten via deze infrastructuur, gevolgd door het ‘verslimmen’ van steden.

Het kwam voor mij in een stroomversnelling toen ik begin 2007 bij Cisco aan boord kwam. Het bedrijf lanceerde op dat moment een corporate social responsibility programma om te leren hoe een stad duurzamer gemaakt kan worden met behulp van toepassingen die door netwerktechnologie worden gefaciliteerd. Dat programma heette ‘Connected Urban Development’ en begon als een samenwerking van drie steden: San Francisco, Amsterdam en Seoul. Het was een van de eerste, door de techindustrie geleide smart city initiatieven. De rest is geschiedenis.

Als we kijken naar de ontwikkelingen van de laatste jaren, wat zijn dan de drie meest opvallende zaken?

De uitrol van breedbandige netwerken en een steeds verfijndere en bredere reeks van draadloze access technologies gaat nog altijd door. Wat opvalt is dat steden en gemeenschappen die 15 jaar geleden internationaal voorop liepen op het gebied van breedbandinfrastructuur, nu nog steeds voorop lopen. Wat dat betreft doet Nederland het erg goed. Kijk bijvoorbeeld naar de VS, waar heel lang gewacht is met dit soort projecten. Daar is nu nog steeds een enorme achterstand.”

“Als tweede zou ik zeggen: de opkomst van de smartphone in de laatste 10 jaar. Dit wordt vaak over het hoofd gezien als enabling technologie voor slimme urbanisatie, maar het is in feite een onmisbare interface tussen de stad en de burger. Daarmee is het voor inwoners mogelijk geworden om daadwerkelijk gebruik te maken van de verschillende diensten en functies van de steeds meer digitaal gefaciliteerde stad. Zonder smartphone was dat veel moeilijker.”

“En als derde belangrijke punt zou ik de huidige revolutie rond het verzamelen en de opslag van data noemen, met daaruit voortvloeiend de mogelijkheden voor data analytics, deep learning, de inzet van algoritmes en AI. Allemaal factoren die essentieel zijn voor ‘verslimming’.

“Hoewel je dat misschien niet zou verwachten, heb ik het Internet of Things (IoT) bewust niet genoemd als een van die drie punten. Het IoT is zeker belangrijk, maar het is gedeeltelijk een hype, die momenteel wordt ingehaald door de algoritmerevolutie. Bij het IoT draait het vaak om de ‘Art of Connecting Everything’, maar we hebben intussen ontdekt dat niet ALLES verbonden hoeft te zijn. Vijf jaar geleden werd bijvoorbeeld geroepen dat iedere afvalcontainer een sensor moest hebben, zodat het ophalen van afval veiliger en slimmer kon worden ingericht. Maar nu hebben we gezien dat je dezelfde optimalisaties kan bereiken dooreen veel beperkter aantal sensors, reeds bestaande data en de algoritmes die je met die data kunt voeden. Zo moet er veel meer geoptimaliseerd worden, waardoor het niet alleen voordeliger wordt, maar ook efficiënter.”

Waar loopt het op dit moment nog wel eens stuk bij smart city-projecten?

“Een van de grootste fouten die wordt gemaakt is dat er met allerlei innovatieagenda’s wordt gestart, zonder dat duidelijk is waar men nu eigenlijk naartoe wil, wat de doelstellingen zijn. Daarbij worden de agenda’s vaak in het verleden bepaald door de techbedrijven, die natuurlijk hun eigen belangen hebben. Daardoor worden de doelstellingen soms uit het oog verloren. En dan zie je dat steden beginnen met allerlei pilots, die heel mooi klinken en van alles mogelijk moeten maken. Maar er wordt bijvoorbeeld niet altijd nagedacht of zo’n pilot wel goed kan opschalen naar de omvang die nodig is voor een hele stad. Die pilots hebben vaak ook een vage doelstelling. In de meeste gevallen gaat het om het testen van een bepaalde technologie, om een ‘Proof of Concept’. Maar eigenlijk zou het moeten gaan om ‘Proof of Value’: aantonen dat een bepaalde oplossing ook daadwerkelijk datgene mogelijk maakt wat een stad of de inwoners nodig hebben.”

“Een ander probleem is dat er vaak verwarring bestaat over definities. Daardoor is niet duidelijk waar we het over hebben als er plannen of keuzes gemaakt moeten worden, of als er contracten worden afgesloten. Wat is bijvoorbeeld ‘Open Data’ of een ‘Open Architectuur’? Omdat dergelijke begrippen rondzweven zonder eenduidige definities, ontstaat er onduidelijkheid en gaan er zaken mis. Ik heb gezien hoe een heel groot project hierdoor na een half jaar en veel geld vastliep. Die definities moeten helderder, zodat alle partijen weten waar het om gaat en er geen misverstanden ontstaan.”

“En als laatste zie ik dat het vaak misgaat omdat er binnen gemeenten nog altijd teveel in silo’s wordt gedacht. Budgetten zijn verdeeld over verschillende diensten en afdelingen binnen gemeenten en die hebben allemaal hun eigen prioriteiten. Daardoor is er gebrek aan samenwerking en dat is funest bij dit soort grote projecten, die juist draaien om integratie en een goede samenwerking tussen alle stakeholders. Ook hebben die diensten en afdelingen of zelfs hele gemeenten vaak geen helder mandaat. Ze kunnen zomaar buitenspel worden gezet als er beslissingen genomen worden. Het kan bijvoorbeeld zomaar gebeuren dat een budget plotseling wordt gehalveerd. Dat is bij dit soort meerjarige projecten funest. Ik denk dat dit laatste vooral een cultuurprobleem is: overheden zijn gewend aan aanbestedingsprocedures en aan het nemen van beslissingen vanuit een autoriteitspositie. In dit soort projecten heb je te maken met heel veel verschillende partijen. Als je dan tot een goede samenwerking wil komen, moet dat veel meer gebeuren op basis van gelijkwaardigheid, in plaats van een partij die – vaak zonder de juiste expertise – bepaalt wat er gebeurt.

Welke steden hebben het ‘smart city’ concept echt opgepakt? Wat zijn de voorbeelden waar we naar moeten kijken?

“Om te beginnen zou ik willen ophouden met het begrip ‘smart city’. Dé ‘smart city’ bestaat niet, omdat de definitie voortdurend verandert. Iedere stad is uniek, met eigen uitdagingen en problematiek. Het gaat er ook niet om dat een stad ‘smart’ wordt, het gaat erom dat een stad veilig, duurzaam, efficiënt is, dat het een prettige plek is om te werken en te wonen. ‘smart’ is een vage term die tijdelijk een plek heeft gehad in de evolutie van stedelijke innovaties – een reis die al meer dan 10.000 jaar plaats vindt.

“Verschillende steden zijn in verschillende dingen goed. Voor voorbeelden van steden waar technologie op innovatieve manieren wordt ingezet, moet je bijvoorbeeld naar China kijken. Ga je kijken naar governance-structuren, dan is Singapore een goed voorbeeld met hun  ‘smart nation’ programma. Barcelona maar ook veel steden in noordelijk Europa lopen voorop in goede, nuttige en effectieve vormen van burgerparticipatie in slim-stedelijke projecten. Ook Nederland doet het goed: ons land heeft een hoge dekkingsgraad van breedbandontsluitingen, en steden als Rotterdam, Amsterdam, Eindhoven en Utrecht – maar ook veel middelgrote steden hebben effectieve digitalisatiestrategieën, met kundige teams die dingen voor elkaar krijgen. We zijn al een heel eind gekomen in 20 jaar en ik denk dat we trots mogen zijn op wat er al bereikt is.”

Een internationale PR-campagne? Dit zijn de do’s en don’ts!

Internationale PR - Do's & Dont's

Uitbreiden naar nieuwe internationale markt of regio is een flinke uitdaging voor een bedrijf. Naast de basiskosten voor het draaien van een internationale PR-campagne, spelen nog andere factoren een belangrijke rol. Denk bijvoorbeeld aan de taal, de cultuur en de lokale concurrentie.

Er zijn verschillende misvattingen die regelmatig opduiken rond internationale PR, vooral bij merken die geen ervaring hebben met PR-campagnes in meerdere landen. Omdat er zo veel zaken zijn om rekening mee te houden, is het niet zo vreemd dat bedrijven fouten maken als ze internationaal gaan uitbreiden. Het plannen en uitvoeren van een internationale communicatie/pr-campagne kan nu eenmaal erg complex zijn. Daarom hier een aantal do’s en don’ts om goed van start te gaan.

DO: focus!

Veel bedrijven – vooral uit de VS – willen een campagne voor ‘Europa’ of ‘Azië’. Maar zo’n aanpak is veel te breed en zal daardoor niet effectief zijn. Ieder land en iedere regio kent een eigen dynamiek en een eigen cultuur. Daarom is het belangrijk dat bedrijven apart kijken naar ieder land waar ze zich op willen focussen.

Als een klant zegt dat hij zich wil richten op ‘Europa’, is ons eerste advies altijd om de belangrijkste landen te kiezen waar hij zich wil focussen. Naast Nederland zijn dat meestal Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, simpelweg omdat dit grootste economieën zijn en dus de beste groeikansen bieden.

DON’T: ga niet voor een algemene aanpak

Een veel gemaakte fout is dat bedrijven er vanuit gaan dat de taal het enige onderscheid is tussen de verschillende Europese markten. Ze denken dat dezelfde PR-aanpak zal werken in alle landen – bijvoorbeeld door één stuk content te schrijven en dat simpelweg te vertalen. Maar de voorwaarden en eisen die door de media in de verschillende Europese landen aan content worden gesteld, zijn vaak heel anders.

De lokale cultuur speelt een grote rol. Bedrijven denken alleen aan de taal en besteden niet genoeg tijd aan het in kaart brengen van de culturele verschillen tussen landen. Die verschillen kunnen een enorme impact hebben op de dagelijkse PR-activiteiten, ongeacht of je wegkomt met een Engelstalige marketingcampagne in een ander land. Een algemene PR-aanpak voor verschillende landen zal in de meeste gevallen niet werken.

DO: zorg voor lokale woordvoerders

Of het nu gaat om een interview of om auteurs voor content, we raden sterk aan om daar lokale mensen voor in te zetten. Natuurlijk kan in een bijzonder geval een regionaal directeur (bijv. een VP EMEA) of executive van het hoofdkantoor volstaan. Maar lokale woordvoerders zijn zeer belangrijk voor het opbouwen van persoonlijke relaties met journalisten.

En denk er dan aan dat een woordvoerder geen sales-achtige titel moet hebben. Europese – en vooral Nederlandse! – journalisten staan bekend als cynisch en kritisch en zijn ‘allergisch’ voor sales- of marketingboodschappen. Ze spreken dus liever niet met mensen in zo’n functie. In het geval van een Amerikaans bedrijf zonder geschikte lokale woordvoerders, is het vaak beter om dan een Amerikaanse woordvoerder te gebruiken met een algemene, technische of CxO functietitel.

DON’T: sluit lokale teams niet buiten

Een andere vergissing die bedrijven nog wel eens maken, is dat ze alles willen regelen vanuit één land, waarbij de lokale teams in de verschillende landen worden omzeild. Door lokale teams niet bij de campagne te betrekken, zullen de lokale nuances en inzichten ontbreken die een verhaal juist interessant maken voor de lokale media.

Hoewel het werken vanuit één locatie ook voordelen kan bieden, is het essentieel om input te vragen van lokale teams over wat er speelt in hun markt en wat daar het beste werkt. Wanneer dit niet gebeurt, pakt dat op den duur nadelig uit voor internationale PR-campagnes. Het simpelweg vertalen van VS-content naar het Nederlands is bijvoorbeeld niet de juiste aanpak. Die VS-content is vaak veel commerciëler ingestoken dan acceptabel is in Europese landen en zeker in Nederland kijken de media daar kritisch naar. Het komt er op neer dat bedrijven gebruik moeten maken van de kennis van mensen die hun lokale markt kennen en het inzicht hebben dat mensen uit andere landen simpelweg niet bezitten.

Om welk land of welke regio het ook gaat, uitbreiden naar een nieuw gebied is een flinke uitdaging. En als bedrijven dat niet slim aanpakken, dat veel geld kosten. Daarom is het absoluut essentieel dat een bedrijf zich goed voorbereidt en de tijd en moeite neemt om internationale PR- en marketingcampagnes te bedenken die de beste kans van slagen hebben in de verschillende markten.

Meer weten over internationale PR-campagnes? Bezoek de website van het internationale PR-netwerk Convoy, waar MCS PR deel van uitmaakt.

Perlita Fränkel
Managing Director MCS PR

 

 

 

Het nieuwe ‘proefdier’ is digitaal

Het nieuwe ‘proefdier’ is digitaal

Ik ben erg geschrokken van het nieuws dat dierproeven met honden en katten in Nederland zijn toegenomen in plaats van afgenomen. Dat gaat me als hondenliefhebber aan mijn hart! Het is onbegrijpelijk. Cosmeticamerken kunnen het niet meer maken om hun producten op dieren te testen en onze overheid streeft naar een ‘transitie naar een proefdiervrije veiligheidsbeoordeling’. Ik dacht dus dat het sentiment rond proefdieren echt was omgeslagen. Niet dus. Maar dankzij een bijzondere technologische ontwikkeling kunnen dieronterende proeven straks de wereld uit. Dan hebben we Wereldproefdierendag (24 april) niet meer nodig!

Die ontwikkeling is de digital twin, een digitale versie van een fysieke verschijning. Dat kan bijvoorbeeld een motor zijn maar ook een onderdeel van een mens of dier, zoals een hart of het zenuwstelsel. Zo’n digitale tweeling dient om van alles uit te proberen, bijvoorbeeld nieuwe behandelmethoden, zonder dat de fysieke tegenhanger daar last van heeft of zelfs verloren gaat.

Deze technologie, gekoppeld aan de onvoorstelbare mogelijkheden van artificial intelligence en machine learning leent zich prima voor toepassingen in de gezondheidszorg. Denk aan gepersonaliseerde gezondheidsmodellen van patiënten die voortdurend op basis van data kunnen worden aangepast. Zo kan een optimale dosis van medicijnen worden bepaald. Uiteindelijk zou zo een digitaal model van de patiënt gebouwd kunnen worden, waarop behandelingen en medicijn eerst grondig getest kunnen worden voordat ze aan de fysieke patiënt worden aangeboden.

Proefdieren zijn dan echt niet meer nodig. Het dierenleed dat we nu, ondanks allerlei regulering, maar al te vaak zien is dan echt verleden tijd. En het komt de patiënt natuurlijk ook ten goede. De tests worden niet alleen op de virtuele mens uitgevoerd, maar zelfs op de individuele patiënt. Dan valt werkelijk elk argument weg dat er nog zou zijn voor proefdieren, voor welke toepassing dan ook! Gebruik van proefdieren zal maatschappelijk volstrekt onaanvaardbaar worden.

Dat dit kan, bewijst het volgende. Een eeuw geleden was het in ons land nog gangbaar om honden als trekdier in te zetten: goedkoop en ruim voorhanden. Voor bijvoorbeeld de bakker en melkboer. Maar ook toen al vonden mensen dit onaanvaardbaar. In 1010 kwam er een Trekhondenwet die allerlei beperkingen oplegde en in 1912 werd de Anti-Trekhonden Bond opgericht – die nu nog bestaat als de Koninklijke Hondenbescherming. Gaandeweg verdween de hond als trekdier uit het straatbeeld. Het gebruik van een hond als trekdier werd overigens pas in 1962 helemaal verboden.

Dankzij de digitalisering hoop ik dat het gebruik van proefdieren heel wat sneller de wereld uit is. Dat moet kunnen, want van de trekhond bestaat nu ook in een digitale (robot)versie. Die krijgt het zelfs voor elkaar om een vrachtwagen voort te trekken. En zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. Nu de proefdieren nog!

Perlita Fränkel
Managing Partner MCS PR

 

 

Earth Day: 22 April 2019

Blog: Earth Day

Yesterday was Earth Day.

Consider this, there is no life on Mars, Venus or the Moon, only on earth do the crucial elements combine perfectly to enable life.

OK, many of you will say… but hey, we are surely not alone in this huge area we call ‘space’, surely there are other intelligent beings out there.

Now that’s a word: intelligent. I think it depends on your definition of intelligent.

We consider ourselves the most intelligent species on earth. Yet we are the most destructive species of all. The most intelligent species is also the most stupid. Only humans destroy their own environment and keep doing so day after day after day…. So, looking at the big picture, how intelligent are we really?

If you are wondering why we need an Earth Day, it’s so that maybe just one day a year we can refrain from causing havoc to our environment and the other species we share this planet with. If you think this isn’t really necessary or important, visit www.earthday.org to wise-up, read and learn. You’re an intelligent human being aren’t you? You can do it!

If you’ve read some of my previous blogs, it’s no surprise that for many, many years now I have been an avid fan of Sir David Attenborough.

Through his ground-breaking nature programs, Sir David has spent his lifetime educating us about the beauty, diversity and the general awesomeness of nature as well as not shying away from speaking passionately about the need for us to change our ways and start taking better care of nature and the animals we share earth with. Now in his 90’s, he is even more outspoken and emphasizes that we really have to change our ways now or we can no longer undo the damage and our lives will change forever.

Like Sir David, I believe that every single species has a crucial purpose in the circle of life. If we eliminate one, it has dire consequences for all others. If we don’t all commit – and I’m referring to each and every one of you, then we should not grumble when nature is upset and fights back. Expect more rain, more tsunami’s, more floods, more extreme storms, tornado’s, hurricanes, wild fires, earthquakes and scorching temperatures in summer. And don’t blame others when earth is so overpopulated it can no longer feed all of us, or provide clean drinking water or has any unpolluted air left. Don’t be the one who has to tell your grandchildren that you thought other things were/are more important in your life. I sincerely hope you are more intelligent than that!

So today, in recognition of Earth Day, do something new! Join the largest environmental movement in the world (or should I say on Earth?). Commit to doing something positive to slow down the roller-coaster that is climate change, drink from a glass instead of from plastic and if you do, throw it in a bin instead of the street, river, ocean, forest, beach, park…etc, etc, etc. Or join one of the many worthwhile charities truly committed to protecting endangered species.

And once you have done that, reward yourself by watching one of the awesome nature series available today. Through technology, they show you the earth as you have never seen it before, from new perspectives and angles, but also more intimately and very up-close and personal. The best ones are narrated (of course) by the soothing and globally recognizable voice of David Attenborough. Enjoy what your earth gives to you and celebrate the beauty all around you. You know, it might be gone tomorrow!

Marguerite van der Heijden
Senior Consultant MCS PR

 

Willen we eigenlijk wel mee in de digitalisering?

Met de snelle opmars van de digitalisering en van robotica, AI, big data en algoritmen in het bijzonder, zijn er fundamentele issues boven water gekomen. Issues die de nodige controverse opleveren. Neem de werkgelegenheid. Die verdwijnt, zegt de ene groep deskundigen. Welnee, zegt de andere groep, er ontstaan juist nieuwe banen. Een derde groep geeft de twee andere groepen gelijk en zoekt de oplossing in een leven lang leren van digitale vaardigheden. De vraag is alleen: wie kan dat en wie wil dat? Afgaand op het jaarlijkse rapport van de onderwijsinspectie – de Staat van het Onderwijs – laten we talent liggen.

Het lijkt zo’n voor de hand liggende oplossing: voortdurend nieuwe dingen leren, steeds bijblijven, meebewegen met de razendsnelle ontwikkelingen. Allemaal clichés die de afgelopen tijd in een rap tempo door de realiteit zijn ingehaald. Wat hiervan te denken: ‘Leraren slaan alarm: scholen stoppen met informatica in de bovenbouw’ en, als klap op de vuurpijl, ’Driekwart van de werkenden wil niet op cursus’?

Opmerkelijk is dat het probleem waar de leraren alarm over slaan al 10 jaar oud is: docenten informatica zijn nauwelijks te vinden, terwijl het structurele tekort aan digitaal talent al veel langer speelt dan een decennium. Zelfs in het economisch gure klimaat van de afgelopen crisis is dat tekort blijven bestaan. En áls er dan cursussen en opleidingen worden aangeboden, blijkt dat driekwart van de werknemers daar helemaal geen trek in heeft.

Ik ben bang dat er een heikel vraagstuk speelt waar je nauwelijks wat over leest. Zijn er wel voldoende mensen die het in zich hebben om tot digitaal talent uit te groeien? Het ziet er naar uit dat de meesten er teveel moeite in moeten steken om digitaal verder te komen. Dat driekwart van de werkenden er geen zin heeft in een cursus onderstreept dit. De volgende vraag: hoe komt dat?

Is het de huidige zesjes-cultuur? Of is digitalisering gewoon te moeilijk? Het begint in beide gevallen met het onderwijs. De kwaliteit daarvan holt over de hele linie, van basisonderwijs tot universiteit, achteruit. Er worden allerlei oorzaken genoemd. Een daarvan is schrijnend in het licht van het voorgaande: ‘Onderwijsvernieuwers willen de breuken afschaffen’. Hiermee zou de eerste kennismaking met eenvoudige algoritmen de nek omgedraaid worden. Een dieptepunt in een traject van versimpeling dat al jaren gaande is. Het zoveelste voorbeeld van de opvatting dat het onderwijs vooral niet te moeilijk mag zijn. Hoe diep het onderwijs intussen gezakt is blijkt wel uit het feit dat er bij BNR wordt geadverteerd voor rekenles.

Bovengenoemd rapport van de onderwijsinspectie signaleert dat het niveau vooral bij hoger presterende leerlingen daalt en dat de groep lager presterende leerlingen groter wordt. Zo wordt het nooit wat met een leven lang leren.

Als het onderwijs niet snel een forse kwaliteitsimpuls krijgt, zal het uitdraaien op een tweedeling. Een grote meerderheid die opgelucht is dat school niet meer hoeft en dus ook niet verder komt. En een enkeling die nog de zin inziet van éducation permanente en straks de zaken gaande moet houden.

Hans van Raaij
Senior Consultant, MCS PR

 

 

 

 

 

 

Het is vandaag IoT Day! (wist u dat…?)

IoT Day

Wist u dat vandaag 9 april, IoT Day is? Het ‘Internet of Things’, we worden er inmiddels vrijwel dagelijks mee geconfronteerd. Het lijkt misschien alsof het IoT pas iets is van de afgelopen vijf jaar of zo, maar in feite werd de term ‘Internet of Things’ mogelijk al in 1999 bedacht door Kevin Ashton van Procter & Gamble (ok, hij had het over het ‘Internet FOR Things’, maar hij bedoelde min of meer hetzelfde). Het concept van allerlei apparaten die via internet met elkaar zijn verbonden is zelfs nog ouder: al in 1982 werd een Coca-Cola machine bij Carnegie Mellon University in Pittsburgh aan het internet (toen nog vrijwel onbekend buiten de wetenschappelijke wereld) gehangen. Een aantal microschakelaars kon meten hoeveel flesjes cola er nog in iedere rij van de machine zaten en dit kon via een serverprogramma worden geraadpleegd, inclusief hoe lang elk flesje in de machine zat. Zo kon je zien welke rij flesjes je moest kiezen om een lekkere koude Coca-Cola te pakken te krijgen.

Het principe dat hier werd neergelegd, is in feite nog steeds de basis van het IoT. We hebben het niet  meer over microschakelaars, maar over sensors. En dat serverprogramma is geëvolueerd tot het veelvoud aan internet- en clouddiensten die het IoT daadwerkelijk bruikbaar maken. Om nog maar te zwijgen over de evolutie van het Internet zelf. Maar het idee om allerlei gegevens van ‘domme’ machines uit te lezen, deze te analyseren en vervolgens op basis van die analyse de beste beslissingen of vervolgstappen te nemen, dat is waar het IoT voor een belangrijk deel om draait.

Het IoT is veel meer dan slimme apparaten thuis

Hoewel we het begrip IoT regelmatig tegenkomen, zijn er toch nog steeds misverstanden. Veel mensen denken bijvoorbeeld dat het gaat om allerlei handige, slimme apparaten thuis. We kennen de voorbeelden wel: de slimme koelkast die aangeeft dat de melk op is, de slimme thermostaat die via internet uitgelezen en bediend kan worden, of lichtschakelaars waarmee je via een app de verlichting thuis kan instellen. We hebben het dan over smart home-apparatuur, dat weliswaar ook deel uitmaakt van het IoT, maar eigenlijk slechts een klein deel. De échte potentie van het IoT zit ‘m niet in handige snufjes die ons leven makkelijker maken. Nee, het gaat om het verzamelen van kritieke gegevens van alle mogelijke machines, producten, apparaten en onderdelen. Gegevens die ervoor zorgen dat we meer weten over de status van die systemen en die leiden tot de juiste acties. Dit gaat ervoor zorgen dat industriële processen efficiënter, duurzamer en veiliger worden, dat auto’s veiliger en uiteindelijk ‘zelfrijdend’ worden, dat leveranciers en transporteurs precies weten waar een levering zich bevindt en wat de status is en nog veel meer. De mogelijkheden zijn eindeloos.

 

Maar het verzamelen en analyseren van al die informatie heeft ook een keerzijde. Denk aan de beveiliging van de verzamelde gegevens, gevolgen voor de privacy of zelfs het bewust vervalsen van IoT-data, waardoor schade kan ontstaan. Over deze thema’s wordt stevig gediscussieerd, waarbij de roep om betere regulering en meer samenwerking tussen het bedrijfsleven en de overheid steeds luider klinkt.

IoT is here to stay

Hoe dan ook, het IoT is niet meer weg te denken. Het heeft zich in de 20 jaar sinds het bedenken van de term ontwikkeld van mooie toekomstvisies tot praktische, waardevolle en zelfs essentiële toepassingen. En het lijkt erop dat deze ontwikkeling de komende jaren alleen nog maar sneller gaat. Volgens Cisco zullen er in 2022 maar liefst 14,6 miljard IoT-apparaten zijn, een onvoorstelbaar aantal.

Als communicatie- en PR-bureau gespecialiseerd in de technologiesector, houden wij ons al heel lang bezig met het IoT en hebben van dichtbij met onze clienten meegemaakt hoe het IoT zich heeft ontwikkeld en welke innovaties daarmee mogelijk zijn. Het is vrijwel zeker dat er de komende jaren nieuwe toepassingsmogelijkheden en nieuwe technologieën ontstaan die het IoT nog breder en nog zinvoller gaan maken, op manieren die we nu nog niet kunnen bedenken. Zoals het Amerikaanse gezegde luidt: you ain’t seen nothing yet!

Ik wens u een goede IoT Day!

 

 

Help! We lijden aan technostress!

We lijden aan ‘technostress’. Volgens een onderzoek van de Nederlandse Beroepsvereniging van Professional Organizers (NBPO) zorgen technologische innovaties bij maar liefst één op de vijf werknemers tot stress. Nieuwe IT-tools, nieuwe zakelijke apps en andere digitale vernieuwingen, we houden het gewoon niet meer bij.

Het is niet bepaald een nieuw fenomeen. Al in 1984 werd deze term voor het eerst gebruikt als aanduiding voor de onmogelijkheid om op een gezonde manier met nieuwe computertechnologieën om te gaan (Brod, 1984). Met ‘technostress’ bedoelen we de som van alle negatieve effecten die ontstaan wanneer mensen proberen om met nieuwe IT om te gaan. Die negatieve effecten zijn het gevolg van de noodzaak om steeds nieuwe technologische vaardigheden te leren.

Hoog tempo

Hoewel ik zelf al bijna mijn hele volwassen leven bezig ben met computertechnologie en technologische innovaties, kan ik me voorstellen dat veel mensen hiermee worstelen. En niet alleen op zakelijk vlak, maar ook in hun privéleven. Denk aan nieuwe mobiele apps of sociale mediakanalen, om de nieuwste versies van Windows en Office, of het groeiende aantal online accounts en de bijbehorende wachtwoorden. Het is wel erg veel en het gaat allemaal erg snel. We zijn nauwelijks gewend aan de ene nieuwe versie of feature, of de volgende komt er al weer aan. Dat is voor veel mensen teveel.

Er zijn wel weer handige tools die daarbij kunnen helpen, maar die leveren op hun beurt soms ook weer stress op. Neem bijvoorbeeld al die online accounts die we tegenwoordig nodig hebben voor van alles en nog wat. Al die accounts vereisen een gebruikersnaam en een – liefst uniek en complex – wachtwoord. Dat is niet bij te houden door de gemiddelde persoon. Het gevolg is dat we al snel makkelijk te onthouden wachtwoorden kiezen, of hetzelfde wachtwoord gebruiken voor meerdere online accounts. Met alle risico’s van dien. Er is gelukkig een handige oplossing: de wachtwoordmanager, zoals LastPass, 1Password of TrueKey. Die slaan je wachtwoorden veilig op, genereren complexe, unieke wachtwoorden voor je accounts (die je dus niet zelf hoeft te onthouden) en vullen die gegevens automatisch in als je op een site inlogt. Super handig. Maar hoe makkelijk en logisch die tools voor een redelijk techsavvy persoon ook zijn, voor veel mensen zorgen ze op hun beurt weer voor stress en frustratie.

Zo moet je de toegang tot zo’n passwordmanager natuurlijk extra goed beveiligen. Dus dat vraagt om een écht complex en/of lang wachtwoord. En bij voorkeur om tweetrapsauthenticatie, bijvoorbeeld met Google Authenticator. Allemaal lastige extra stappen die de stressmeter in het rood duwen. Daar komt bij dat die wachtwoordmanagers ook niet foolproof zijn. Op sommige sites werken ze niet, omdat er een niet-standaard loginscherm wordt gebruikt. Dus dan moet je je gebruikersnaam en het wachtwoord opzoeken en copy/pasten. Ik denk er zelf nauwelijks bij na, maar dat is voor veel mensen opnieuw een uitdaging. Het gevolg: er wordt al snel een makkelijk wachtwoord gebruikt, of de extra beveiligingsfuncties van de wachtwoordmanager worden uitgeschakeld.

Geen paniek

We hebben ook niet altijd zelf de controle over welke technologische innovaties we ons eigen moeten maken. Bedrijven kiezen ervoor om bepaalde zakelijke toepassingen of mobiele apps te gebruiken. Daar zul je als medewerker toch mee moeten omgaan. Goede training en hulp door collega’s kunnen daarbij uitkomst bieden. Lastiger is het feit dat er constant nieuwe functies worden toegevoegd of de gebruikersinterface wordt aangepast door softwareleveranciers. Denk bijvoorbeeld aan Windows en Office 365. Daar wordt voortdurend aan gesleuteld om ze ‘beter’ te maken. Maar dat betekent voor gebruikers dat ze soms ineens een heel ander scherm voor zich zien dan ze gewend zijn. Niet in paniek raken en goed kijken wat er op het scherm te zien is, is dan een goed advies. Dan blijkt vaak al snel dat het allemaal wel meevalt.

Even stilstaan

Er zijn veel tips op internet te vinden over hoe om te gaan met technostress. Daar heeft de een meer aan dan de ander. De harde werkelijkheid is dat we niet altijd een keuze hebben, dus we zullen op de een of andere manier toch met die nieuwe technologie om moeten gaan. Het alternatief is namelijk dat we achterop raken, geen toegang meer hebben tot online diensten of onszelf en de organisatie waar we werken in gevaar brengen. Maar de ontwikkelaars van al die diensten en toepassingen en de organisaties die ze inzetten zouden soms ook even moeten stilstaan en beter nadenken. Nadenken hoe ze die mensen kunnen helpen voor wie al die technologie niet allemaal zo makkelijk en vanzelf te gebruiken is.

Arnout Lansberg