Bas Boorsma: “Dé ‘smart city’ bestaat niet!”

By 26 november 2019Blogs

Bas BoorsmaAl jarenlang wordt er gesproken over ‘smart cities’ – steden die innovatieprogramma’s creëren waarin nieuwe netwerktechnologieën worden toegepast, lokale innovatie-ecosystemen worden gerealiseerd, innovatiedistricten ontstaan, waarin stappen worden gezet om energie efficiënter te gebruiken en waar slimmer wordt omgegaan met publieke data. Een slimme stad maakt ook effectiever gebruik van de beschikbare middelen, is minder vervuilend en is veiliger en gezonder. Bas Boorsma is vice president van het Cities Today Institute (www.cities-institute.com). Hij is tevens Professor of Practice, urban innovations and smart City, Thunderbird School of Global Management, Arizona State  University. Sinds kort is hij ook Chief Innovation Officer van het Amsterdamse bedrijf Change= (www.change-is.com). Hij is ook auteur van het boek ‘A New Digital Deal’ (www.anewdigitaldeal.com). Boorsma is al bijna 20 jaar expert op het gebied van de planning en ontwikkeling van smart cities en stedelijke innovatie.

Waar komt uw interesse voor smart cities vandaan?

“Dat is eigenlijk organisch ontstaan. Ik ben geboren in het jaar 29BG (‘Before Google’) en ben dus analoog groot gebracht. Digitale ontwikkelingen interesseerden me vanaf het begin. Ik raakte op zeker moment betrokken bij de eerste glasvezelinitiatieven in Nederland. In 2001 gaf het ministerie van Economische Zaken het startschot voor de ontwikkeling van de eerste ‘kenniswijk’ in Eindhoven. Dat was voor Nederland een nieuw project en men wilde voorkomen dat ze het wiel opnieuw moesten uitvinden. Daarom werd samenwerking gezocht met andere steden in de wereld, die voorop liepen met de uitrol van breebandnetwerken en breedbandige diensten. Om dat in goede banen te leiden is het Smart Community International Network (SCIN) opgericht (later omgedoopt in INEC) en in 2002 werd daadwerkelijk gestart met de uitwisseling van relevante kennis. Ik werd toen verantwoordelijk voor een aantal gerelateerde projecten, waaronder het Connecting the Dots-programma rond de uitrol van breedbandinfrastructuur in Nederland. Dat begon met glasvezel en later kwamen daar wireless verbindingen bij. Het eerste doel was om zo veel mogelijk huishoudens in Nederland te ontsluiten via deze infrastructuur, gevolgd door het ‘verslimmen’ van steden.

Het kwam voor mij in een stroomversnelling toen ik begin 2007 bij Cisco aan boord kwam. Het bedrijf lanceerde op dat moment een corporate social responsibility programma om te leren hoe een stad duurzamer gemaakt kan worden met behulp van toepassingen die door netwerktechnologie worden gefaciliteerd. Dat programma heette ‘Connected Urban Development’ en begon als een samenwerking van drie steden: San Francisco, Amsterdam en Seoul. Het was een van de eerste, door de techindustrie geleide smart city initiatieven. De rest is geschiedenis.

Als we kijken naar de ontwikkelingen van de laatste jaren, wat zijn dan de drie meest opvallende zaken?

De uitrol van breedbandige netwerken en een steeds verfijndere en bredere reeks van draadloze access technologies gaat nog altijd door. Wat opvalt is dat steden en gemeenschappen die 15 jaar geleden internationaal voorop liepen op het gebied van breedbandinfrastructuur, nu nog steeds voorop lopen. Wat dat betreft doet Nederland het erg goed. Kijk bijvoorbeeld naar de VS, waar heel lang gewacht is met dit soort projecten. Daar is nu nog steeds een enorme achterstand.”

“Als tweede zou ik zeggen: de opkomst van de smartphone in de laatste 10 jaar. Dit wordt vaak over het hoofd gezien als enabling technologie voor slimme urbanisatie, maar het is in feite een onmisbare interface tussen de stad en de burger. Daarmee is het voor inwoners mogelijk geworden om daadwerkelijk gebruik te maken van de verschillende diensten en functies van de steeds meer digitaal gefaciliteerde stad. Zonder smartphone was dat veel moeilijker.”

“En als derde belangrijke punt zou ik de huidige revolutie rond het verzamelen en de opslag van data noemen, met daaruit voortvloeiend de mogelijkheden voor data analytics, deep learning, de inzet van algoritmes en AI. Allemaal factoren die essentieel zijn voor ‘verslimming’.

“Hoewel je dat misschien niet zou verwachten, heb ik het Internet of Things (IoT) bewust niet genoemd als een van die drie punten. Het IoT is zeker belangrijk, maar het is gedeeltelijk een hype, die momenteel wordt ingehaald door de algoritmerevolutie. Bij het IoT draait het vaak om de ‘Art of Connecting Everything’, maar we hebben intussen ontdekt dat niet ALLES verbonden hoeft te zijn. Vijf jaar geleden werd bijvoorbeeld geroepen dat iedere afvalcontainer een sensor moest hebben, zodat het ophalen van afval veiliger en slimmer kon worden ingericht. Maar nu hebben we gezien dat je dezelfde optimalisaties kan bereiken dooreen veel beperkter aantal sensors, reeds bestaande data en de algoritmes die je met die data kunt voeden. Zo moet er veel meer geoptimaliseerd worden, waardoor het niet alleen voordeliger wordt, maar ook efficiënter.”

Waar loopt het op dit moment nog wel eens stuk bij smart city-projecten?

“Een van de grootste fouten die wordt gemaakt is dat er met allerlei innovatieagenda’s wordt gestart, zonder dat duidelijk is waar men nu eigenlijk naartoe wil, wat de doelstellingen zijn. Daarbij worden de agenda’s vaak in het verleden bepaald door de techbedrijven, die natuurlijk hun eigen belangen hebben. Daardoor worden de doelstellingen soms uit het oog verloren. En dan zie je dat steden beginnen met allerlei pilots, die heel mooi klinken en van alles mogelijk moeten maken. Maar er wordt bijvoorbeeld niet altijd nagedacht of zo’n pilot wel goed kan opschalen naar de omvang die nodig is voor een hele stad. Die pilots hebben vaak ook een vage doelstelling. In de meeste gevallen gaat het om het testen van een bepaalde technologie, om een ‘Proof of Concept’. Maar eigenlijk zou het moeten gaan om ‘Proof of Value’: aantonen dat een bepaalde oplossing ook daadwerkelijk datgene mogelijk maakt wat een stad of de inwoners nodig hebben.”

“Een ander probleem is dat er vaak verwarring bestaat over definities. Daardoor is niet duidelijk waar we het over hebben als er plannen of keuzes gemaakt moeten worden, of als er contracten worden afgesloten. Wat is bijvoorbeeld ‘Open Data’ of een ‘Open Architectuur’? Omdat dergelijke begrippen rondzweven zonder eenduidige definities, ontstaat er onduidelijkheid en gaan er zaken mis. Ik heb gezien hoe een heel groot project hierdoor na een half jaar en veel geld vastliep. Die definities moeten helderder, zodat alle partijen weten waar het om gaat en er geen misverstanden ontstaan.”

“En als laatste zie ik dat het vaak misgaat omdat er binnen gemeenten nog altijd teveel in silo’s wordt gedacht. Budgetten zijn verdeeld over verschillende diensten en afdelingen binnen gemeenten en die hebben allemaal hun eigen prioriteiten. Daardoor is er gebrek aan samenwerking en dat is funest bij dit soort grote projecten, die juist draaien om integratie en een goede samenwerking tussen alle stakeholders. Ook hebben die diensten en afdelingen of zelfs hele gemeenten vaak geen helder mandaat. Ze kunnen zomaar buitenspel worden gezet als er beslissingen genomen worden. Het kan bijvoorbeeld zomaar gebeuren dat een budget plotseling wordt gehalveerd. Dat is bij dit soort meerjarige projecten funest. Ik denk dat dit laatste vooral een cultuurprobleem is: overheden zijn gewend aan aanbestedingsprocedures en aan het nemen van beslissingen vanuit een autoriteitspositie. In dit soort projecten heb je te maken met heel veel verschillende partijen. Als je dan tot een goede samenwerking wil komen, moet dat veel meer gebeuren op basis van gelijkwaardigheid, in plaats van een partij die – vaak zonder de juiste expertise – bepaalt wat er gebeurt.

Welke steden hebben het ‘smart city’ concept echt opgepakt? Wat zijn de voorbeelden waar we naar moeten kijken?

“Om te beginnen zou ik willen ophouden met het begrip ‘smart city’. Dé ‘smart city’ bestaat niet, omdat de definitie voortdurend verandert. Iedere stad is uniek, met eigen uitdagingen en problematiek. Het gaat er ook niet om dat een stad ‘smart’ wordt, het gaat erom dat een stad veilig, duurzaam, efficiënt is, dat het een prettige plek is om te werken en te wonen. ‘smart’ is een vage term die tijdelijk een plek heeft gehad in de evolutie van stedelijke innovaties – een reis die al meer dan 10.000 jaar plaats vindt.

“Verschillende steden zijn in verschillende dingen goed. Voor voorbeelden van steden waar technologie op innovatieve manieren wordt ingezet, moet je bijvoorbeeld naar China kijken. Ga je kijken naar governance-structuren, dan is Singapore een goed voorbeeld met hun  ‘smart nation’ programma. Barcelona maar ook veel steden in noordelijk Europa lopen voorop in goede, nuttige en effectieve vormen van burgerparticipatie in slim-stedelijke projecten. Ook Nederland doet het goed: ons land heeft een hoge dekkingsgraad van breedbandontsluitingen, en steden als Rotterdam, Amsterdam, Eindhoven en Utrecht – maar ook veel middelgrote steden hebben effectieve digitalisatiestrategieën, met kundige teams die dingen voor elkaar krijgen. We zijn al een heel eind gekomen in 20 jaar en ik denk dat we trots mogen zijn op wat er al bereikt is.”